Redigeren

Iedere schrijver heeft een redacteur nodig en goede schrijvers weten dat. Redigeren gaat veel verder dan ‘de d’tjes en de t’tjes’ controleren. Een goede redacteur haalt het beste in de auteur en het boek naar boven.

Redigeren is te vergelijken met het nakijken van een computerprogramma dat niet doet wat het moet doen. Als applicatieprogrammeur gaf het mij een enorme kick om een fout in een programma op te sporen. De vaardigheden die ik daar heb ontwikkeld gebruik ik als redacteur nog steeds:

  • lezen wat er écht staat i.p.v. wat er bedoeld wordt
  • lezen zonder voorkennis te gebruiken
  • zodra ik een fractie van een seconde op een woord of zin blijf hangen dit opvatten als een signaal dat er waarschijnlijk op die plek iets mis is.

Redigeren is analyseren, logisch nadenken, goed lezen en puzzelen. Allemaal zaken waar ik goed in ben en blij van word.

Er zijn drie niveaus waarop ik redigeer:

  • Grote lijnen: verhaallijn, opbouw, indeling, spanningsboog, uitwerking, taalgebruik, dingen die opvallen.
  • Hoofdstukniveau: logica, duidelijkheid, herhaling, ontbrekende informatie, zinsvolgorde, woordgebruik, metaforen, verwijzingen.
  • Zinsniveau: woordvolgorde, woordkeuze, kleine foutjes die opeens zichtbaar zijn doordat de grote fouten eruit zijn.

Het vierde niveau, waarbij echt op letterniveau wordt gecorrigeerd, besteed ik uit.